Dit en dat (practice)

Ik ben al bijna twee jaar begonnen het Nederlands te studeren. Omdat ik al Duits konde spreken toen ik met mijn studie begon, was het makkelijker voor mij de Nederlandse taal op te nemen. Maar ik moet ook bekennen dat het niet makkelijk is “in het Nederlands te denken”. Wat ik daarmee wil zeggen is dat ik vaak in mijn hoofd een zin van Duits naar Nederlands vertaal, juist omdat de twee talen overeenkomstige zinstructuur, woordenschat enz. hebben. Bovendien is mijn hoofd toch al vol gevullt met talen en soms moet ik een woord meer dan een keer vertalen om op de juiste taal te komen, zoals Koreaans -> Engels -> Duits -> Nederlands.

De Nederlandse taal- en literatuurwetenschap is mijn bijvaak en dat betekent dat ik er niet zo veel cursussen voor heb. Dus – en dat weet ik ook – is het waarschijnlijk dat ik de taal snel zal vergeten als ik er niets tegen doe. Deze blogpost, zo kun je denken, is mijn poging me meer ermee bezig te houden. Deze semester heb ik alleen één literatuurwetenschapcursus waarvoor we vier Nederlandse gedichten en twee Nederlandse boeken lezen. Ik ben nu aan het lezen van een van de twee boeken, Oeroeg van Hella S. Haasse, en ik vind het een beetje moeilijk te lezen omdat het boek geen kapitteltjes en weinig (of helemaal geen) dialogen heeft. Maar het meest problematische aan deze verhaal (zo ver) zijn de stereotypen van Oeroeg en zijn familie, die Indonesiërs zijn (anders dan de verteller die een Nederlander is). Ik reageer een beetje (?!) geprikkeld als het over “othering” gaat en om eerlijk te zijn heb ik genoeg van de stereotypische beschrijving en karakterisering van niet witte personages, vooral in de literatuur over de voormalig gekolonialiseerde landen.